Maartje Wortel, writer-in-residence Buisse Heide

Maartje Wortel, writer-in-residence Buisse Heide
3 september, 2012 Thomas Dahm

Het kan nog

Keer op keer staan er mensen in de tuin. Zonder enige uitzondering zijn het types van een jaar of zestig, man en vrouw, allebei met kortgeknipt grijs haar, grote strenge brillen en zondagse kleding aan. Netter dan het bos aankan. Meestal dichten die dames zelf ook; “Net als Henriëtte.” Ze vragen of ze door de tuin mogen lopen en ik zeg: ‘Dat doen jullie al.’  Om de variatie er een beetje in te houden antwoord ik af en toe ook: ‘Het is mijn tuin niet.’ 
‘Mag ik vragen wat jij hier aan het doen bent?’ vragen ze. 
Ik geef netjes antwoord, ik zeg dat ik aan het schrijven ben. 
Alle mannen zeggen: ‘Je bent nu niet aan het schrijven,’ of: ‘Ziet schrijven er zo uit?’ Ze lachen om hun eigen grap. Met een beetje geluk lacht hun vrouw ook om de grap. 
Precies zoals ik het nu beschrijf is het er tientallen malen aan toegegaan in de tuin voor de Angora Hoeve. Het is mijn eigen schuld: Je moet nooit iemand in je tuin laten, ook als het jouw tuin niet is en je moet nooit zeggen dat je schrijft. Ze willen weten wat je naam is en waar je dan over schrijft, ze willen je e-mail adres hebben zodat ze je hun eigen teksten kunnen toesturen. Ze willen koffie met je drinken en nooit meer weg. 

Afgelopen weekend had ik genoeg van de gesprekjes, ik had genoeg van de tuin en van het schrijven. Ik nodigde al mijn vrienden en vriendinnen uit om te komen logeren in de Hoeve. 
‘Vergeet je bikini niet,’ schreef ik. ‘Ik zorg voor een sproeier waar we doorheen kunnen rennen.’ 
Mijn vrienden en vriendinnen verschenen in badkleding in de tuin. Sommige waren naakt, het zijn erg overdreven mensen. Ze renden in slowmotion door de sproeier, de zon bescheen hun strakke bruine lijven. Ze likten aan de paddenstoelen die in het hoge gras staan en dansten later in het maanlicht.  
Evenals de voorgaande dagen kwamen er ook in het weekend mensen langs het huis wandelen, ze liepen de tuin in, vroegen of ze de tuin in mochten lopen en wat we precies aan het doen waren. 
‘Wij verjagen de geesten,’ zei ik.
De vrouwen keken met een schuin hoofd de tuin in. ‘Dat is interessant,’ zeiden ze. ‘Heel interessant.’ En de mannen zeiden niets meer. 

0 Reacties

Laat een reactie achter